4.
Conclusie
Uit
het analyseren van Romeo and Juliet op filosofisch en
theologisch niveau blijkt Shakespeares nauwe betrokkenheid bij
katholieke opvattingen. Enerzijds toont hij affiniteit met de
filosofie van de dominicanen: het thomisme, dat door de
katholieke theologie werd omarmd, en laat hij de destructiviteit
van het nominalisme zien, dat een met de reformatie verbonden
reactie op het thomisme was. What interests Shakespeare is
not (...) an epistemological theory in itself, but its effect in
the moral lives of his characters (Young, 1997, §9).
Anderzijds toont hij affiniteit met de theologie van de
franciscanen, die bedreven waren in de sacramentele pastoraal.
In his sympathetic depiction of the sacraments, Catholic
teaching, and Catholic clergy, Shakespeare was a radical
(Voss, 2002, ongepag.).
Deze
twee stromingen komen samen in het concilie van Trente, dat toen
in het anti-katholieke Engeland werd verkondigd door de
jezuļeten en zo ook aan de familie Shakespeare. Deze
overkoepelende katholieke visie mocht echter niet beleden worden,
waardoor Shakespeare in zijn toneel zijn toevlucht moest nemen
tot subtiele kritiek. Deze krijgt in Romeo and Juliet vorm
doordat het geliefde paar, dat aanvankelijk thuis blijkt in de
katholieke praktijken in het Italiaanse Verona, zich steeds
verder distantieert van die traditie. Daardoor brokkelt hun
moraal en het fundament onder hun sacramentele houding af, wat
uiteindelijk tot hun eigenhandige ondergang leidt. Romeo en
Juliet vertonen in de praktijk steeds meer trekjes van Ockham,
Luther en andere met de reformatie verbonden theoretici. Het
nominalisme (het ontkennen van betekenis en belang van naam en
familiebanden) en de desacramentalisering (in het zich afkeren
van vijf sacramenten: Shakespeare behandelt het huwelijk (met
name Romeo), het priesterschap (met name Juliet), de biecht, de
eucharistie en het doopsel) leiden tot de dood(zonde), zo wil
Shakespeare op dramatische wijze aangeven.
Dat Romeo and Juliet tragisch is wordt door iedereen wel erkend, maar dat die tragiek in het zich afkeren van het katholicisme ligt, is minder bekend. Een andere interpretatie leidt echter tot een herleiden van het drama tot externe omstandigheden, waardoor het nauwelijks nog dramatisch te noemen is. Voor de crypto-katholiek Shakespeare bestond er echter niet meer ruimte om zijn katholieke spiritualiteit explicieter aan de orde te laten komen. Door de interpretatie van de reden van de ondergang van Romeo en Juliet niet te noemen, maar die aan het publiek over te laten, wordt niet alleen het drama effectief versterkt door het publiek actief betrokken te laten zijn bij de zondaars, maar zwijgt Shakespeare bovendien binnen de katholieke traditie over de eschatologische bestemming van de twee zelfmoordenaars. Zo wordt duidelijk dat ook in Romeo and Juliet Shakespeare zijn pijlen niet [heeft] gericht op God, bijbel of godsdienst, maar wel op een gedegenereerd christendom (Woldring, 2002, p.166), dat ook een postmodern publiek kan aanspreken. Shakespeares play is a pro-Catholic re-working of an anti-Catholic story (Jory, 1999, ongepag.)