3. Sacramentele tegenover

desacramentele theologie

 

Shakespeare toont de morele consequenties van het nominalisme, de filosofie die de reformatie heeft beïnvloed. Deze filosofische vete leidde in de kerkgeschiedenis tot verschillende theologische tegenstellingen. Een van de belangrijkste geschilpunten tussen katholicisme en protestantisme is de sacramentaliteit (Luther reduceerde het aantal sacramenten van zeven naar twee). Shakespeare verwijst naar verschillende van deze sacramenten, met name het huwelijk, het priesterschap en de biecht, die alledrie niet meer erkend werden door de reformatie. Ook de eucharistie en het doosel, die Luther in een andere vorm dan de katholieke nog wel kende, komen aan de orde. Er wordt nu onderzocht hoe de vastgestelde morele verwording, die tot doodzonde leidt, uitkomt in de sacramenteel-theologische achtergrond van Romeo and Juliet.

 

3.1. Huwelijk

 

Het uitgebreid aan de orde stellen van de nominalistische ontkenning van familiebanden kan een verkeerde indruk wekken. Men kan zo over het hoofd zien dat Romeo en Juliet aanvankelijk een optimistische kijk hebben op het sacrament, die kenmerkend is voor de katholieke visie op huwelijk en gezin. Romeo zegt in zijn eerste biechtgesprek: “As mine on hers, so hers is set on mine, / And all combined save what thou must combine / By holy marriage” (II,2,59-61) en na de huwelijkssluiting zegt Juliet tegen de pater: “God join’d my heart and Romeo’s, thou our hands” (IV,1,55), daarbij aansluitend op de woorden van pater Laurence: “For, by your leaves, you shall not stay alone / Till Holy Church incorporate two in one” (II,5,36-37). Hiermee resoneert Shakespeare niet alleen Jezus’ woorden “En die twee zullen één vlees zijn. Wat God zo verbonden heeft, zal de mens niet scheiden” (Matt.19,5-6; vgl. Cathechismus van Trente VIII, nr.11, p.415) en de liturgie van de huwelijkssluiting, waar het bruidspaar elkaar de rechterhand geeft, maar bovendien het katholieke idee dat bruid en bruidegom elkaar Gods sacrament toedienen en dat niet de priester de inzegenende figuur is, zoals de dominee bij protestanten. De priester verbindt alleen, als getuige, de handen.[1]

 

Certainly he told his audience repeatedly that it was crucially important to preserve virginity until marriage. Though she calls the vows she has exchanged in the darkness with Romeo a “contract,” Juliet makes it clear that this contract is not in her eyes the equivalent of a marriage (as some Elizabethans would have held [vgl. bv. Claudio en Juliet in Measure for measure] and that she must therefore on that night leave Romeo “unsatisfied” (2.1.159.167). Once protected by the wedding performed by the friar - not a social ritual in Romeo and Juliet but a sacrament hidden from the feuding families - Juliet can throw off the retiring coyness expected of girls. (...) It is as if the formal ceremony of marriage, performed as the condition of sexual consummation, had an almost magical efficacy, a power to make desire and fulfillment, which would otherwise be tained and shameful, perfectly modest. (Greenblatt, 2004, p.141)

 

Van der Does de Willebois (1984) noemt Romeo en Juliet in hun beleving van de “sacramentele drie-eenheid van huwelijkstrouw, eros en vruchtbaarheid” zelfs een voorbeeld voor deze tijd (p.137 en 174).

Toch is de houding ook dan al enigszins dubbel: ze komen op voor de liefde, maar zijn hun ouders ongehoorzaam. “Het monogame huwelijk (...) [werd] door het Freudo-Marxisme gebrandmerkt als ‘het syndroom van de patriarchale familie’” (Van der Does de Willebois, 1984, p.148) dat door de seksuele bevrijding is rechtgezet. Doordat Romeo en Juliet met hun huwelijk ingaan tegen de ideeën van hun vaders blijkt dat zij een tegengeluid geven tegen deze patriarchale dominantie. Dit is enerzijds een promotie van het huwelijk (het kan óndanks familie), maar tegelijkertijd ook een ontkenning daarvan (het kan ook alleen dánkzij de huwelijken van hun familieleden) (vgl.Young, 1997, §9).

 

To judge from his plays, Shakespeare viewed the role of a father at a wedding as of deep sacramental importance. In Lear, Othello, or Romeo and Juliet, it suggests tragic consequences to come if a father flouts his sacred role, either by ‘giving away’ his child without her consent, or by withholding it when she marries. (Honan, 1999, p.355)

 

Aan het geheime huwelijk zitten twee kanten. Van de ene kant kan het huwelijk gered worden van de dominante wil van de vader die tegen het huwelijk op basis van de liefde en de vrije wil is: hij wil immers uithuwelijken. Van de andere kant kan de vader op die manier geen sacramentele betekenis hebben op het huwelijk zelf, noch wordt het belang van zijn eigen huwelijk voldoende op waarde geschat. Nu heeft de vader van Juliet weliswaar geen huwelijk op basis van liefde, maar dat neemt niet weg dat het een sacramentele voorwaarde vormde voor het bestaan van Juliet.

 

The conflict in Shakespearean drama is not infrequently a testimony to the growing sense that familial and communal institutions are losing their sacred character or religious sanction. (Young, 1997, §6)

 

Er is dus sprake van een worsteling met dit sacrament. De vraag is welke keuze er uiteindelijk gemaak wordt. Na de verbanning van Romeo verafschuwt Juliet innerlijk het idee van bigamie door haar min voorgeteld (III,5,211-233; vgl. Shaheen, 2002, p.518). De waarde van het huwelijk lijkt hier voor haar nog groot te zijn.

 

Greer (1986) behandelt vooral het feit dat Shakespeare de waarde van het huwelijk wilde laten zien door zich af te zetten tegen uithuwelijkingspraktijken. Juliet is nog geen veertien, wat enkele malen herhaald wordt (I,3), als zij door haar vader wordt uitgehuwelijk aan Paris. Haar moeder, die pas achtentwintig is, heeft datzelfde lot ondergaan toen zij met haar veel oudere echtgenoot moest trouwen (hij zegt niet meer gedanst te hebben sinds zijn vrouw werd geboren) (p.158-159). Doordat Romeo en Juliet zich verzetten tegen deze dwang en voor de liefde als basis voor hun huwelijk gaan, geeft Shakespeare inderdaad blijk van een christelijke visie op het huwelijk. Greer trekt vervolgens echter de conclusie dat dit de protestantse visie op het huwelijk moet zijn (p.160), omdat clandistiene huwelijken, zoals de pater die aanbiedt, “een van de belangrijkste valkuilen op weg naar het protestantse ideaal” waren (p.161). “Door een clandestien huwelijk tussen de vijandelijke families aan elkaar te broddelen maakt pater Laurence haar tot een martelares voor de rotheid van Verona” (p.159). Deze conclusie is vreemd. Als Shakespeare zich immers zou afzetten tegen het principe van het uithuwelijken, dan is het clandestiene huwelijk een van de enige mogelijke middelen van zo’n verzet. De pater probeert het huwelijk te redden door de liefde en níet de afspraak van de ouders te (laten) ‘bezegelen’. Bovendien handelt hij in de hoop om met deze liefde als vredestichtend middel de familievete tot een einde te kunnen brengen. De opmerking van Greer dat Shakespeare “zo helder (...) het ideaal van het monogame heteroseksuele paar in zijn verbintenissen [schilderde], dat ze nog steeds hun invloed uitstralen op onze ideeën over verenigbaarheid en samenwerking tussen echtgenoten” moet daarom geïnterpreteerd worden als een verdediging van het katholieke, sacamentele huwelijk en niet dat van de protestantse huwelijksmoraal, die de status van het huwelijk integendeel zelfs devalueerde door deze te desacramentaliseren. Het huwelijk werd door de reformatie niet, zoals vaker beweerd wordt, verheven tot levenskeuze eerste klas, tegenover een tweedeklas levenskeuze in de celibaatvererende Middeleeuwen. Het huwelijk werd in de katholieke traditie immers, ook door Thomas, net zo goed als sacrament beschouwd als het priesterschap. Dit idee wordt versterkt doordat uit ‘Was Shakespeare katholiek?’ bleek dat William en Anne zelf ook zo’n clandestien huwelijk sloten, om zich aan de protestantse overheersing te kunnen ontrekken.

 

In Romeo and Juliet, Shakespeare again emphasizes the sacramental nature of marriage. Before their marriage, Romeo and Juliet both receive the sacrament of reconciliation. Friar Laurence wil not leave the young lovers alone “till Holy Church incorporate two in one” (II,6,37). (Voss, 2002, ongepag.)

 

De verburgelijking en secularisatie van het huwelijk is “volgens Von Gebsattel in hoge mate te wijten aan de invloed van Luther op de desacramentalisatie van het huwelijk” (Van der Does de Willebois, 1984, p.152). Luther had het huwelijk immers “ein weltlich Ding” genoemd (Van der Meer, 1984, p.9).

De desacramentalisering van het huwelijk hing ook samen met de devaluatie van de seksualiteit door de puritijnse instelling dat alle lichamelijkheid zondig is. Juist de lichamelijk eenwording is in de katholieke traditie zelf ook als sacraal beschouwd en zelfs vergeleken met de verhouding tussen Christus en de kerk (vgl. Ef.5,31-32). De laatste tijd, met name onder leiding van paus Johannes Paulus II, is dit weer meer door het Vaticaan naar voren gebracht: “Christian marriage is a sacrament whereby sexuality is integrated into a path to holiness, through a bond reinforced by the indissoluble unity of the sacrament” (Trujillo, 1995, nr.30). Het is lange tijd gebruikelijk geweest om de seksualiteit voor te stellen als iets dat alleen aanvaardbaar kan worden gemaakt als er maar eerst een huwelijksluiting aan vooraf was gegaan, te vergelijken met de opmerking: “het is voor mij geen echte kermis, waneer daar niet eerst de sacramentsprocessie aan vooraf is gegaan” (Van der Meer, 1984, p.12). Seksualiteit is an sich echter iets heiligs, legt Van der Meer s.j. uit. Dat laat Shakespeare uitkomen door wel de huwelijksluiting aan te kondigen, maar die off stage plaats te laten vinden, maar de liefde na de consummering van het huwelijk in de ochtend uitgebreid en poëtisch te beschrijven. “Zo wordt, om de woorden van Von Gebsattel te hernemen, ook de geslachtsdrift mysterie en heilig symbool” (Van der Does de Willebois, 1984, p.157). Tussen  de aankondiging van de huwelijkssluiting en de ochtend na de huwelijksnacht zien we Romeo alleen op straat met de jeugdbendes. Shakespeare sluit aan bij dit idee van de sacrale lichamelijkheid door deze op subtiele, maar prominente wijze aan bod te laten komen. Shakespeare laat het huwelijk, zoals Greenblatt zei, een magisch moment zijn: de sacramentele bezegeling van de liefde maakt de seksualiteit heilig. Shakespeare promoot dus een weerstand tegen het verlies van de sacrale dimensie van het lichaam (tempel van de Geest en lidmaat van Christus) en promoot een midden tussen het “prijsgeven aan een hedonistische hypertrofie van de seksualiteit” als ene uiterste en het dwingen “in het keurslijf (...) van een Victoriaans moralisme” (Van der Does de Willebois, 1984, p.173) als andere uiterste, door de sacrale kant van het huwelijk te tonen, zelfs zo extreem dat het tot afgoderij leidt en door de lichamelijke kant als sacraal voor te stellen, maar wel met de waarschuwing dat de lust door de rede en wil gestuurd moeten blijven worden.

 De toespelingen die door Romeo’s vrienden gemaakt worden zijn minder fijnzinnig, maar getuigen wel van een gezonde belangstelling voor, in plaats van de door de puriteinen gepast geachte verdringing van de seksualiteit (vgl. Barthélemey, 1879, p.194, die Shakespeares “hardiesse” (vrijmoedigheid) aandraagt als een van de redenen om zijn katholicisme te veronderstellen). Romeo onderscheid zich op het gebied van de omgang met seksualiteit van zijn vrienden. Waar zij wat naar de losbandige kant neigen, daar is Romeo uit op een “partnership based on mutual acquiescence”, zonder daarbij in puritanisme te vervallen (Honan, 1999, p.234) en wil zijn pasgesloten huwelijk, nog vóór de lichamelijke voltrekking, in navolging van de ideeën van de pater, een aanleiding laten zijn voor het sluiten van vrede op straat. Van der Does de Willebois (1984) spreekt van een soort liturgie van het dagelijks bestaan: het sacrament van het huwelijk kent, net als de andere sacramenten, een eigen liturgie (p.161) door de liefde in het dagelijks leven, ook in relatie tot anderen, in praktijk te brengen. “De godgeladenheid van de seksualiteit (...) ligt in de heiligheid van het leven” (Van der Meer, 1984, p.18). Dat Romeo eerst op straat vrede gaat sluiten (ook al loopt dat onbedoeld uit de hand), zelfs vóór zijn huwelijk te consummeren, toont Romeo’s instelling om zijn huwelijk als dagelijkse liturgie in te zetten om de liefde te verspreiden. Hij volgt hier (nog) de pater, die het huwelijk zo als vredestichtend instituut had voorgesteld.

Shakespeare visualiseert vervolgens de gevaren van de verstoring van die liturgie, hetzij van buitenaf, hetzij van binnenuit. Pater Laurence legt uit hoe die kan worden voorkomen door een balans tussen lust en rust. Bij Romeo en Juliet slaat de balans door naar de lust, met de genoemde gevolgen van dien. De liefde tussen Romeo en Juliet lijkt een goed voorbeeld van heilige liefde, dat ook als voorbeeld kan dienen, en zich in het heilige sacrament laat bezegelen, maar door de verstoring van de heilige orde die het genademiddel van het huwelijk zou moeten geven, brokkelt het fundament onder hun huwelijk langzaam af. Shakespeare toont dat het huwelijk in zekere zin “werkelijke tegenwoordigheid van Christus” is, zoals dat ook bij de andere sacramenten geldt (Van der Meer, 1984, p.50), maar dat Romeo en Juliet daar niet op die manier mee om blijven gaan: in plaats van het huwelijk als sacrament te vereren -Sint-Robertus Bellarmino stelde ook voor om voor echtparen te knielen - gaan Romeo en Juliet elkáár de Christus-rol toebedelen: ze vereren niet meer hun gezamelijk gedeelde sacrament, maar elkaar. Aan de hand van de nominalistische filosofie was deze verafgoding al duidelijk gemaakt; Shakespeare koppelt die expliciet aan het loslaten van de waarde van het huwelijkssacrament, zoals Dietrich von Hildebrand (1983) schreef in ‘Die Ehe’: “Jede Vergötzung ist kein Zuwachs an Liebe, sondern eine Perversion und damit eine Verminderung der Liebe”.

Daarin ligt dus hun uiteindelijke keuze: waar ze optimistisch tegenover het huwelijk stonden (en Juliet bijvoorbeeld geen bigamie wilde), daar gaan ze meer positief tegenover elkaar staan dan tegenover het sacrament, waarvan ze eerst erkenden dat het door God gesloten was. Hun afgoderij vervaagt tenslotte hun katholieke visie op het sacrament. Doordat eerst het belang en de betekenis van het huwelijk aan de orde werd gesteld,  is de afbraak ervan op het einde des te tragischer. Romeo neemt dan op het einde niet alleen de beslissing om een einde aan zijn leven te maken: hij zegt tegen Baltasar ook expliciet dat hij het huwelijk zal gaan beëindigen, voordat hij Juliets graf ingaat:

 

Why I descend into this bed of death

Is partly to behold my lady’s face,

But chiefly to take thence from her dead finger

A precious ring, a ring that I must use

In dear employment. (V,3,28-32)

 

Romeo gebruikt deze woorden als dekmantel om zijn ware intentie te verdoezelen voor zijn knecht Balthasar (het uitwisselen van de ring is een verzwakte voorstelling van de ware toedracht, namelijk het plegen van de zelfmoord). De woorden vormen echter meer dan een smoes. Het is een soort symbolische manier op aan te kondigen dat hij zijn huwelijk doelbewust beëindigen gaat. De trouwring staat immers voor de onverbrekelijkheid van het huwelijk, dat hij, door het terugnemen van die ring, ten dode opschrijft. Nadat het fundament van de levensliturgie onder het huwelijk is afgebroken, geeft Romeo met deze woorden het huwelijk de doodssteek. De positieve kijk op het sacrament is op het einde verdwenen. Zo toont Shakespeare de verwoestende kracht van het loslaten van het sacrament. De destructiviteit van de reformatorische ideeën wordt door Shakespeare dus niet alleen getoond door het sacrament zelf in volle bloei te tonen, waar dat in een protestantse omgeving taboe was, maar vooral ook door de gevolgen te tonen van een (reformatorisch) loslaten van die sacramentele instelling.

 

3.2. Priesterschap

 

Het priesterschap is in de katholieke traditie een belangrijk sacrament, omdat de priester de bediening van de andere sacramenten als taak heeft gekregen. Luther heeft de meerwaarde van het gewijde priesterschap echter ontkend en schafte het sacrament af. Daarnaast leidde zijn kritiek op het priesterschap ook tot een karikaturalisering van de priester in het algemene beeld.

 

Romeo and Juliet is the first in which we meet Catholic priests - and at a time when, even after Ferdinando’s death (...), the Catholic-Protestant tensions had by no means eased. (Wilson, 2002, p.196)

 

Shakespeare voerde de twee franciscanen Laurence en John op in het jaar dat zijn neef, de jezuïet Robert Southwall, met wie hij correspondeerde, werd gevangengenomen en terechtgesteld (zie ‘Was Shakespeare katholiek?’). “And it is important to note how Shakespeare deals with these by comparison to the attitudes exhibited by other playwrights of his time” (p.196-197). Waar Marlowe, Greene, Webster en Beaumont priesters vanuit een uitgesproken anti-clericalisme opvoerden als “simple, one-dimensional villains” (Voss, 2002, ongepag.) en kloosterlingen in de humoristische traditie over het algemeen als lachwekkende, bespottelijke figuren werden opgevoerd, daar portretteert Shakespeare ze met sympathie. “Friar Laurence is a complex charachter, but he is no villain” (idem).

 

In the Shakespearean corpus as a whole, the treatment of Roman Catholic religious is exceptionally sympathetic. Shakespeare treats Franciscans particularly well, especially in view of the fact that, aside from John Ford, other English Renaissance dramatists form an “antifraternal tradition,” which depicts friars as “duplicitous, immoral, and satanic”. Such hostile characterization is not the case, however, with Friar Laurence in Romeo and Juliet, Friar Francis in Much Ado About Nothing, and Friar Peter in Measure for Measure.” (Beauregard, 2003, p.312)

 

Pater Laurence handelt vanuit zijn geweten en probeert vrede te stichten. “The Friar’s advice is always in accordance with the purest morality” (p.197, Bowden citerend). “Friar Laurence and the Church are treated favorably” (Shaheen, 2002, p.510; vgl. Greenblatt, 2004, p.111).

 

Shakespeare reveals no trace whatever of the widespread prejudices of non-Catholics in connection with this aspect of the life of the Roman Church. On the contrary: he does everything in his dramatic power to show his friars and nuns, their lives and customs, in an unequivocally favorable light. (Mutschmann & Wentersdorf, 1969, p.267)

 

Op het einde van het stuk wordt er door de prins bovendien expliciet aan toegevoegd dat de pater geen schuld treft van de negatieve afloop: “We still have known thee for a holy man” (V,3,269). Gezien de omstandigheden waarin Shakespeare schreef, lijkt dit vrijpleiten geen overbodige luxe aan het adres van de pater. Bij Brooke, een van Shakespeare’s bronnen voor het toneelstuk, werd de pater veroordeeld tot vijf jaar ballingschap en wordt hij al in de inleiding afgekeurd voor “abusing the honorable name of lawful marriage to cloak the shame of stolen contracts” (Quinn, 2000, ongepag.) Bij Shakespeare wordt dat niet als problematisch gezien: de pater twijfelt, in tegenstelling tot bij Brooke, geen moment om het huwelijk in het geheim te laten voltrekken, wat, zoals bij het huwelijk al genoemd, herinnert aan het clandestiene huwelijk dat William en zijn vrouw Anne ontvingen in de katholieke kerk. Pater Laurence lijkt op de katholieke priester John Frith, bij wie ze trouwden in Temple Grafton, zoals beschreven in ‘Was Shakespeare katholiek?’ (vgl. Wood, 2003, p.36).  Pater Laurence lijkt niet alleen vanwege het clandestiene huwelijk dat hij, in verband met de dreiging van buitenaf, in het geheim laat sluiten, op Frith, maar ook vanwege de nevenactiviteiten: Laurence verzorgde zijn kruidentuin, Frith zieke valken. Hammerschmidt (2003) denkt bovendien dat hier een kryptische omschrijving bedoeld kan zijn van het verzorgen van de in Shakespeares tijd vervolgde en onderdrukte katholieken (p.63 en 147). De pater denkt er niet aan om het sacrament te weigeren, want zonder het sacrament zou hun liefde in in zijn ogen in ieder geval tot doodzonde leiden, wat hij met al zijn wijze plannen - hoewel tevergeefs - had proberen te voorkomen.[2] Volgens Richmond (2000) is pater Laurence een illustratie van “a worthy and compassionate carrying out of priestly duties” (p.28).

 

                  Bij de genoemde theorie van Holden (2000), die de ondergang van Romeo en Juliet toeschreef aan externe omstandigheden als het niet aankomen van een brief (p.27), is het interessant om aan te tekenen wat Friar John als reden tegen pater Laurence noemt dat die brief niet besteld kon worden:

 

                  Going to find a barefoot brother out-

One of our order – to associate me

                  Here in this city visiting the sick,

And finding him, the searchers of the town,

Suspecting that we both were in the house

Where the infectious pestilence did reign,

Sealed up the doors, and would not let us forth,

So that my speed to Mantua there was stayed. (V,2,5-12)

 

De franciscanen worden dus voorgesteld als broeders die zich bekommeren om de zieken, zelfs zo dat ze de gevaren van de pest riskeren, in dit geval met het gevolg dat hij geen brief mag bezorgen in Mantua, waar men besmetting vreest. Shakespeare schreef dit in het jaar dat Carolus Borromeus, de vroegere aartsbisschop van Milaan, werd voorgedragen voor heiligverklaring, mede omdat hij als kardinaal de pestslachtoffers met zijn zorg had bijgestaan tijdens de epidemie (Wilson, 2002, p.197; vgl. Barthélemy, 1879, p.199-200 en Milward, 1997, p.ix). Shakespeare was met kardinaal Borromeus bekend omdat hij de tekst had ontworpen van het Spirituele Testament van Shakespeares vader John, dat hij via de jezuïeten Robert Parsons en Edmund Campion had ontvangen (zie ‘Was Shakespeare katholiek?). Shakespeare vergelijkt de paters dus met een heilige. Dit maakt Romeo en Juliet overigens geen indirecte ‘pestslachtoffers’,[3] wat extra uitkomt doordat deze reden pas in de scène ná hun eigenhandige dood wordt vermeld.

 

Quinn (2000, ongepag.) is het echter niet eens met de opvatting dat pater Laurence positief of in ieder geval als wijs en volwaardig personage wordt afgeschilderd. Hij vraagt zich af of de daden van de pater wel acceptabel zijn in het licht van de leer van de kerk. Hij heeft hiervoor verschillende argumenten. Een argument is dat pater Laurence machiavellistisch (‘het doel heiligt de middelen’) denkt, doordat hij het huwelijk als middel ziet tot vredestichten, en geen moment twijfelt aan de kwalijke gevolgen die hieruit voort kunnen vloeien. Er is echter al aangegeven dat bij Shakespeare de kwalijke gevolgen niet voortkomen uit het sacrament van het huwelijk zelf, maar juist in de mate waarin Romeo en Juliet zich van het sacrament afkeren. Niet zozeer op het moment dat zij hun wortels (het huwelijk van hun voorouders), maar vooral als Romeo hun eigen huwelijk (de terugname van de ring) ontkent, tekent zich hun ondergang af. Pater Laurence denkt dus niet machiavellistisch als hij in het huwelijk een positieve bijdrage zou zien: de kerk ziet het als genademiddel dat kan helpen om de onderlinge liefde op een waardige manier te gaan beleven. Zoals Van der Meer al aangaf bewerkstelligt het huwelijk, net als de andere sacramenten, de aanwezigheid van Christus en versterkt het de liturgie van het dagelijks leven. Voor Shakespeare was het huwelijk al heilig, dus dat ‘middel’ hoefde niet geheiligd te worden. Het positief denken over sacramentaliteit is kortom niet iets wat de pater in katholiek opzicht kwalijk genomen kan worden.

Weliswaar was het sluiten van huwelijken in het geheim niet volgens het canonieke recht, zowel bij anglicanen als bij katholieken (zeker bij minderjarigen), maar in de praktijk was het vaak alleen mogelijk om een katholiek huwelijk te sluiten als het in het geheim gebeurde. De vervolging had hetzelfde verhullende effect op het vieren van de andere sacramenten, zoals de eucharistie en de biecht. De vergelijking met priester John Frith, die hetzelfde deed bij Shakespeare’s eigen geheime huwelijk, maakt die situatie van pater Laurence sterker invoelbaar: hij stond voor het blok en koos voor de katholieke weg, al mocht dat niet bekend worden. Dit verklaart ook waarom hij Juliet adviseert om niet tegen haar ouders te vertellen wat er werkelijk speelt. In zekere zin heeft Quinn gelijk als hij zegt dat dit het aanzetten tot leugen is, maar van de andere kant zou een voortijdig uitlekken van het plan bij de ouders het (reeds toegediende) sacrament van het huwelijk in gevaar brengen. Shakespeare maakt duidelijk dat het sluiten van het sacrament in het geheim en het beschermen van dat geheime sacrament door onorthodoxe oplossingen soms noodzakelijk en wenselijk is. “There is something about him [Frith] that recalls the character of Friar Laurence” (Milward, 1973, p.38).

 

Een ander argument van Quinn is dat pater Laurence geen “doctor of divinity and Prince’s counselor” is, zoals bij de genoemde bron van Brooke, maar, zoals Quinn het noemt, een “simple popular confessor”. Dit zou kunnen liggen aan Shakespeares grotere kennis van de taakbekleding van de franciscanen, die over het algemeen niet sterk vertegenwoordigd waren in de academische wereld. De andere orde van de bedelmonikken, de dominicanen, en in Shakespeares tijd met name de jezuïeten namen die taken meer op zich.[4] Gezien de nauwe contacten die Shakespeare had met de jezuïeten is het begrijpelijk dat hij die in geen enkel stuk ten tonele voert, hoewel hij soms wel verdekte toespelingen heeft gemaakt op de jezuïet Robert Parsons (vgl. Twelfth Night, IV,2 (vgl. Desper, 1995, ongepag.) of Love’s Labour’s Lost, IV,2). Zijn connecties met en zijn kennis van hen moesten uit veiligheidsoverwegingen strikt geheim blijven. Waarom dan gekozen voor een franciscaan, wat Shakespeare regelmatig doet, zoals in Much ado about nothing en Measure for Measure?

Ten eerste was het aantrekkelijk, zoals in het filosofische aspect al aan de orde kwam, om een tegenhanger te schetsen van Ockham (die op het academische niveau met bijvoorbeeld Roger Bacon een uitzondering vormt die de regel bevestigt). Pater Laurence is net als hij een franciscaan, maar verkondigt een tegengestelde theorie. Ten tweede heeft Shakespeare, met oog voor het belang van de verschillende kloosterorden, de Middeleeuwse setting ingevuld met een voor de Middeleeuwen belangrijke congregatie.[5] Ten derde richten de franciscanen zich meer op de pastorale taken, de prediking van het woord en de bediening van de sacramenten en dat was precies de persoon die Shakespeare in dit verhaal nodig had. Het moest een nauw bij de gewone gelovigen betrokken pastor zijn, die ervaring heeft met het begeleiden bij de dagelijkse verleidingen en daarover dus adviezen kan geven vanuit de wijsheid van de praktijk. En het moest een pastor zijn met een grote ervaring in de sacramentsbediening. Door de pater een “simple popular confessor” te laten zijn toont Shakespeare de noodzaak die hij ziet van de populariteit van het sacrament van boete en verzoening, dat hierna behandeld zal worden.

Zo heeft Shakespeare theoretisch de leer van de dominicanen (Albertus en Thomas waren dominicanen) en praktisch de pastoraal van de franciscanen gebruikt: twee bedelorden die de katholieke traditie van de Middeleeuwen hebben vormgegeven, enerzijds om het thomisme en anderzijds om de sacramentaliteit op Middeleeuwse wijze onder de aandacht te brengen.

 

Een volgend argument van Quinn is van suggestieve aard. Hij noemt twee uitspraken van de pater, namelijk “Here comes the lady. O, so light a foot / will ne’ver wear out the everlasting flint” (II,5,16-17) en even later “Romeo shall thank thee, daughter, for us both”, en zonder de context van het gezegde uit te leggen brengt hij deze in verband met “signs of unholy thought”, alsof de pater pedofiele trekjes zou vertonen. Ten eerste was het niets voor Shakespeares tijd, ook niet voor zijn anti-katholieke tijdgenoten, om een dergelijke suggestie in het toneelwerk te leggen. Wel werden er veel andere ondeugden in het algemeen aan clerici toegeschreven.

 

Anti-clerical imagery normally included a common package of images and insults, familiar to anyone who has ever read Geoffrey Chaucer’s accounts of medieval English society. In this view, priests, monks, and friars were idle, greedy, lascivious, and hypocritical. With a handful of saintly exceptions, popes and bishops not only demonstrate these same faults, but compound them with sins of power such as greed, despotism, and megalomania. (Jenkins, 2003, p.10)

 

Weliswaar was er bij de genoemde bron van Brooke sprake van dat de pater “the naturally fit instrument of unchastity” is (Milward, 1973, p.74), maar dat heeft niet direct iets met pedofelie an sich van doen en zou daarnaast alleen maar pleiten voor het feit dat Shakespeare de pater in zijn versie minder (expliciet) onkuis toont, in ieder geval zodat er niet meer om gelachen zou hoeven worden. Bij Brooke was hij immers een mannelijke tegenhanger van de redelijk komische min van Juliet (vgl. Barthélemy, 1879, p.198).

                  Hoe komt Quinn er dan bij om pedofilie te vermoeden achter de woorden van deze Middeleeuws-renaissancistische pater? Jenkins (2003) geeft de aanwijzing dat de oude vormen van discriminatie meer gebaseerd waren op klasse en etniciteit, terwijl de nieuwe vormen, waaronder het door hem geconstateerde nieuwe anti-katholicisme, “laid more stress on themes of gender and sexuality” (p.20). Door de seksschandalen in de katholieke kerk worden priesters gemakkelijker opnieuw als sterotypisch negatief afgebeeld. “Especially in the coverage of child abuse by clergy, the media have presented a panply of very traditional anti-clerical images, attacking clergy as sexually repressed hypocrites” (p.21, vgl. p.vii). Quinn zal dus een anachronistische interpretatie van het anti-clericalisme op Shakespeares werk hebben geprojecteerd, want in onze tijd, zo maakt Jenkins duidelijk, wordt het traditionele anti-clericalisme in verband gebracht met de vermeende pedofilie van (voor het ‘gemak’ alle) priesters (vgl. Rothwell, 2001, p.243).

Als we echter kijken naar wat de pater met deze woorden werkelijk kan hebben bedoeld, dient de context waarin ze gezegd worden, zich aan: Juliet heeft via haar min met Romeo afgesproken om het sacrament van de biecht te gaan ontvangen, waarna ze in het geheim ook het sacrament van het huwelijk aan elkaar zullen toedienen. Op dat moment heeft de pater echter al een biechtgesprek gehad met Romeo, waarbij de pater al het vermoeden heeft gekregen waar Romeo’s nominalistische visie toe zal lijden. Pater Laurence waarschuwde hem dan ook dat “these violent delights have violent ends” en maant Romeo om zijn idolatrie te temperen (9-15; vgl. Girard, 1995, p.402). Als Juliet dan gehaast binnenkomt is de enige reactie van Juliet en Romeo een innige omhelzing, die geen blijk geeft van een ter harte nemen van de waarschuwing van de pater. Daarop spreekt de pater de bewuste woorden “ O, so light a foot...”, maar vervolgt: “A lover may bestride the gossamers / That idles in the wanton summer air, / And yet not fall, so light is vanity” (18-20). De bewondering voor de schoonheid van Juliet slaat dus niet op een ‘lichtvoetige’ constatering daarvan, maar is een proleptische vrees die wordt uitgesproken over haar trieste lot dat ze op deze manier tegemoet gaat en wat hij extra navrant wil tonen door het in contrast te plaatsen met haar (huidige) schoonheid. De pater plaatst innerlijke en uiterlijke schoonheid dus tegenover elkaar, waarbij de innerijke, voor de pater de belangrijkste, er het minst positief vanaf komt. De opmerking moet dus niet als uiting van een onzuivere gedachte worden beschouwd, maar als uiting van het voorzien van een slechte afloop, die hij als attente biechtvader voorziet (wat overigens ook beter in de lijn van het verhaal past dan het veronderstelde zijpaadje van zijn persoonlijke worstelingen). Als Juliet de pater dan vervolgens begroet met de geruststelling “Good even to my ghostly confessor” (21), put de pater daaruit de hoop dat zij - zoals beloofd - komt om te biechten en dat het inderdaad goed met haar zal gaan. De dank daarvoor deelt hij met Romeo. Dit heeft echter niets te maken met een door Quinn gesuggereerde gedeelde lust, zoals Romeo duidelijk maakte met de al eerder genoemde woorden: “Thou canst not speak of that thou dost not feel” (III,3,64).

 

Wat op het eerste gezicht het beste argument van Quinn lijkt is zijn constatering dat de pater op het einde zijn priesterlijke aanzien lijkt te verliezen en zich onherkenbaar ontpopt als een lafaard. Bij Shakespeare wil hij Juliet snel wegbrengen van de plaats waar Romeo gedood ligt, om haar onder te brengen bij heilige (!) zusters:

 

Thy husband in thy bosom there lies dead,

And Paris too. Come, I’ll dispose of thee

Among a sisterhood of holy nuns.

Stay not to question, for the watch is coming.

Come, go, good Juliet. I dare no longer stay. (V,3,155-159)

 

Bij Brooke daarentegen zou de pater ‘spiritual consolation’ geven aan Juliet, met de woorden:

 

                  And then persuaded her with patience to abide

                  This sudden great mischance, and saith, that

                  In some religious house for her a quiet place

                  Where she may spend the rest of her life...

                  And unto her tormented should call back exiled rest. (2715-18,2720)

 

Afgezien van het feit dat hierin nauwelijks meer troost valt te herkennen dan in de woorden van pater Laurence bij Shakespeare - hij biedt een onderdak aan in een klooster, wat volgens Milward (1997) een vrij gewone reactie was in zo’n situatie (p.10-11)[6] - is het maar de vraag of het vanuit zijn standpunt wel te verwachten is dat zijn eerste reactie troostend zou moeten zijn. Schrik en verwijdering zouden meer voor de hand liggen. Wat hij namelijk aantrof was een door Romeo vermoorde Paris en een door zichzelf omgebrachte Romeo. Hij vreesde de uitwerking die deze aanblik op Juliet zou hebben. Hij kent immers haar wankele morele basis en wil haar beschermen voor de consequenties van haar eigen nominalistische, gedesacramentaliseerde instelling. Het was voldoende dat zij wist dat de twee rivalen dood zijn, dat en door wie zij vermoord zijn kan de situatie voor Juliet alleen maar verergeren. De troost zou dan in een later stadium evengoed van belang zijn. Als de pater immers meteen troost, terwijl Juliet een moord en een zelfmoord aanschouwt, zou dat de indruk kunnen wekken dat de pater op een bepaalde manier zou instemmen met deze doodzonde. Normaal is immers de enige troost die een priester na iemands overlijden schenkt de hoop uitspreken dat die persoon in de hemel is, wat in eschatologisch perspectief een hereniging mogelijk maakt. Die troost kan de pater echter niet aan Juliet bieden als de zelfmoord haar bekend zou zijn: er was, redenerend vanuit de theologie van Trente, immers weinig hoop op een eeuwig leven in de hemel voor zelfmoordenaars, gezien de beperkte mogelijkheiden van berouw. Bescherming in plaats van troost lijkt daarom als primaire reactie van de pater geen onkatholieke keuze.

Bovendien was pater Laurence tegenover de ouders van Juliet toen ze ‘schijndood’ was, als contrast, wel zo troostrijk als hij maar kan zijn. Er is namelijk (nog) geen sprake van zelfmoord en vrij van de problematische situatie van bijvoorbeeld de priester die Ophelia moest begraven, kan hij dan wél het perspectief op de hemel aankaarten:

 

Heaven and yourself

Had part in this fair maid: now heaven hath all,

And all the better is it for the maid;

Your part in her you could not keep from death,

But heaven keeps his part in eternal life. (IV,4,93-97)[7]

 

Wat in Shakespeares visie wel slecht lijkt is het feit dat Juliet geen gehoor geeft aan de oproep van de pater, waardoor zijn angst uiteindelijk werkelijkheid wordt. Dit valt de pater echter niet te verwijten. Het is immers de vrije keuze van Juliet: “Go, geth thee hence, for I will not away” (V,3,160) bijt ze de pater ter afscheid toe.[8] Daarnaast is de pater in de brontekst van Brooke inderdaad milder in zijn formulering met betrekking tot het verlaten van de plek des onheils. De pater bij Shakespeare is inderdaad bang en dat is terecht: hij kende als biechtvader de intentie en denkwijze van zowel Romeo als Juliet. Hij heeft geprobeerd de kwalijke gevolgen daarvan zowel theoretisch (in het vermanende biechtgesprek) als praktisch (zijn schijndood-plan) te voorkomen, maar ziet nu dat Romeo toch tot zelfmoord is gekomen. Hij vreest dat Juliet hetzelfde zal gaan doen als zij dit ziet. Later blijkt dit ook gegrond en dus kan hem deze proleptische angst moeilijk kwalijk genomen worden. De pater vreest dus niet zozeer voor zichzelf, maar ziet zijn vrees met betrekking tot Juliet bewaarheid worden en dat maakt hem radeloos: welke hoop is er immers voor zelfmoordenaars? Quinn zegt: “Laurence’s sense of guilt makes him so desparate that he forgets his spiritual function”, maar hij had beter kunnen zeggen dat “Laurence’s sense of the guilt of Romeo and Juliet makes him so desparate that he knows that his spiritual function will be no longer be of use for them”.

 

Uiteindelijk volgt Juliet de pater niet meer, waar ze aanvankelijk wel deelden in zijn opzet. Ze laat de magie, mystiek en het mysterie van de pater toe, maar trekt op het einde haar eigen plan in haar streven bij haar afgod te zijn. Door de priesterlijke adviezen af te wijzen, waar ze die eerst volgde, geeft ze duidelijk te kennen zich af te keren van zijn priesterschap. Ze heeft geen vertrouwen meer in hem, terwijl hij zijn priesterlijke raad nog steeds in dezelfde lijn verkondigt. Deze afkeer van het vertrouwen in zijn priesterlijke functie sluit aan bij het bij Romeo geconstateerde afzien van het huwelijk. Daar waar Romeo de ring wil uitwisselen, daar staat bij Juliet een ongehoorzaamheid tegenover de priester aan wie ze zoveel te danken heeft. Zijn magie, mysterie en mystiek hebben geen effect als er niet naar geluisterd wordt tot aan het einde. De vrees van de pater wordt bewaarheid doordat Juliet de pater expliciet wegjaagt en zich daarmee definitief losmaakt van zijn sacramentele gaven. Net als Luther schaft Juliet op het einde voor zichzelf het priesterschap af.

 

3.3. Boete en verzoening

 

Samen met het bezoeken van de heilige mis was de biecht, tegenwoordig bekend als het sacrament van boete en verzoening, het meest gepraktiseerde sacrament onder katholieken in de tijd van Shakespeare. Als men het communiceren tijdens de eucharistieviering zelf als sacrament rekent in plaats van het alleen het bijwonen ervan, dan is de biecht zelfs het meest gepraktiseerde.[9] Het is ook het meest genoemde en centrale sacrament in Romeo and Juliet: “there is frequent mention of the confession of sins to a priest, with consequent ‘shrift’ or absolution” (Milward, 1973, p.31). Het vormt een centraal element in de verwikkelingen: het wordt gebruikt als dekmantel om ook het sacrament van het huwelijk te kunnen ontvangen en wordt bovendien zelf ook gepraktiseerd. Het aanspreken van pater Laurence als geestelijk biechtvader is al genoemd: “Good even to my ghostly confessor” (II,6,21) (vgl. Milward, 1973, p.73-74).

                  De catechismus van Trente noemt in het hoofdstuk over de biecht (V, p.353) drie kenmerken waaraan een goede biecht zou moeten voldoen. Het eerste is: “De biecht moet klaar, eenvoudig en openhartig zijn” (nr.50). Dit kenmerk is ook het eerste dat bij het noemen van de biecht naar voren komt in Romeo and Juliet. Als Romeo na zijn ontmoeting met Juliet voor het eerst bij pater Laurence komt, licht Romeo hem wat verward in over zijn nieuwe liefde (vgl. noot 3). De pater waarschuwt Romeo dat hij in duidelijkere bewoordingen moet biechten voor een duidelijke absolutie: “Be plain, good son, and homely in thy drift; / Riddling confession finds but riddling shrift” (II,2,55-56).

                  Het tweede kenmerk is: “De biecht moet voorzichtig en bescheiden zijn” (nr.51). Dit komt ook als tweede naar voren tijdens het genoemde biechtgesprek tussen Romeo en pater Laurence, waarin de pater de doodzonde bij Romeo vaststelt en hem tot een meer filosofische (thomistische) houding maant. Romeo wijst de pater dan op die voorzichtigheid, waarin hij de taak van de biechtvader aan dat kenmerk spiegelt:

 

                  Howlings attend it: how hast thou the heart,

                  Being a divine, a ghostly confessor,

                  A sin-absolver, and my friend profess’d,

                  To mangle me with that word ‘banished’? (III,3,48-51)

 

Een biechtvader moet een voorzichtige, bescheiden woordkeuze hanteren, net als de biechteling zelf overigens, wat Romeo net niet doet: “O friar, the damned use that word in hell” (47). Romeo drukt overigens wel goed uit wat een biechtvader is: een zonde-delger. De liturgische formule van de absolutie is: “Ego te absolvo a peccatis tuis”, wat in het woord ‘absolver’ in het Engels letterlijk geresoneerd wordt.

                  Het derde kenmerk is: “De biecht moet geheim zijn” (nr.52). Zowel van de kant van de biechtvader als de biechteling moet het gebiechte privé blijven (en niet zoals in de eerste eeuwen openlijk verkondigd in de gemeenschap). Romeo gebruikt het geheimzinnige aspect van de biecht om Juliet tot het huwelijk te laten komen:

 

                  Bid her devise

                  Some means to come to shrift this afternoon

                  And there she shall at Friar Laurence’ cell

                  Be shrived and married. (II,3,169-172)

 

Het sacrament is echter niet alleen de dekmantel voor een ander sacrament. In de katholieke traditie is het normaal om alvorens het huwelijk aan te gaan (net als voor het ontvangen van de communie) te biechten, alleen is dan normaliter de biecht geheim en het huwelijk openbaar. “The relation of the two sacraments, Penance and Matrimony, is natural, as implied in the Nurse’s description when she returns, “See where she comes from shrift with merry look (IV,2,15)” (Richmond, 2000, p.35). Juliet gebruikt de biecht zelf ook als mogelijkheid om in het geheim te kunnen spreken met de pater. Zij profiteert van het feit dat haar moeder (en even later Paris) niet kan en mag weten wat zij haar biechtvader vertelt:

 

                  Go in: and tell my lady I am gone,

                  Having displeased my father, to Laurence’ cell,

                  To make confession and to be absolved. (III,5,230-233)

 

Op de vraag van Paris “Come you to make confession to this father?” antwoord Juliet: “To answer that, I should confess to you” (IV,1,22-23).

                  Het gebruik van een bode en brief bij het sacrament wordt vanwege het biechtgeheim expliciet afgewezen in nr. 52 van de catechismus van Trente. Interessant is dat precies door het gebruik van de bode en de brief de communicatie in Romeo and Juliet uiteindelijk scheef loopt. Het negatieve einde blijft echter de verantwoordelijkheid van de twee geliefden, want het zijn Romeo en Juliet zelf die in de laatste scène plotseling geen enkele aandacht meer lijken te hebben voor dit sacrament. Niet alleen wordt er van het huwelijk en het priesterschap afgezien door het terugnemen van de ring en het zich afkeren van de priesterlijke raad, maar ook het sacrament van boete en verzoening komt niet meer aan de orde in het laatste bedrijf, waar dat centraal stond in de vorige bedrijven. Dit afzien van de biecht maakt het einde extra dramatisch. De catechismus van Trente zegt namelijk expliciet: “Zonder de biecht is de zaligheid niet mogelijk voor degenen die doodzonden bedreven hebben”. Dat verklaart waarom er “in their tragic end is no rejoicing but only woe, even if good is drawn out of the evil by the subsequent reconciliation of Montague and Capulet” (Milward, 1973, p.239). Zoals eerder genoemd is troost bieden dus niet de geëikte optie voor de pater. Nergens wordt in het stuk echter een definitieve vermelding of maar suggestie gedaan van de uiteindelijke eschatologische bestemming van de twee geliefden. De kerk spreekt zich dan ook, in tegenstelling tot over heiligen, nooit uit over wie er in de hel zouden zijn:

 

Het zwijgen van de kerk is dus de enige passende houding die een christen kan innemen. Ook wanner Jezus van Judas de verrader zegt: “Het ware beter voor deze mens als hij nooit geboren was”, kan die mededeling niet met zekerheid verstaan worden in de zin van eeuwige veroordeling” (Messori (red.), 1994, p.166-167).

 

Shakespeare zwijgt hier dus samen met de katholieke kerk. Daardoor wordt de boodschap er minder dik opgelegd en wordt de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mensen in het publiek gestimuleerd, zoals Campbell aangaf. Shakespeare behandelt zijn publiek als volwassen.

                  De waarschuwende woorden van Romeo tot Paris, voordat hij het graf van Juliet ingaat, zijn in het perspectief van de biecht interessant: “Put not another sin upon my head” (V,3,62). Dit is niet alleen een bijbels manier van uitdrukken (vgl. Shaheen, 2002, p.521), maar ze echoën ook de woorden van de geest van de vader van Hamlet, waarmee ze in schril contrast staan:

 

                  Cut off even in the blossoms of my sin,

                  Unhouseled, dis-appointed, unaneled,

                  No reck’ning made, but sent to my account

                  With all my imperfections om my head. (I,5,76-79)

 

De geest betreurt het dat hij de laatste drie sacramenten (‘unhouseled’ is zonder het viaticum, de laatste communie, ‘dis-appointed’ is zonder de laatste biecht en ‘unaneled’ is zonder het oliesel, de zalving) niet heeft kunnen ontvangen voor hij met de ‘zonden op zijn hoofd’ naar zijn oordeel moest. Romeo is zich ook bewust van deze zonden op zijn hoofd (met name de dood van Tybalt, vgl. III,3,108-110), maar is niet van plan deze drie sacramenten te gaan ontvangen voor hij het gif gaat innemen. Sterker nog: hij zou met die instelling deze sacramenten niet eens mógen ontvangen van de katholieke kerk, omdat hij dan in staat van doodzonde en in de wens om daarin te volharden zou sterven.[10] Met deze woorden laat Romeo dus zijn afkerige houding van de sacramenten nog eens blijken. Romeo en Juliet hebben op het laatst de sacramentele instelling helemaal verlaten. Zij gaan niet met Christus de dood in, maar met elkaar. Romeo en Juliet weten, zo blijkt uit hun uitspraken over de biecht, goed wat de functie, de mogelijkheden en het nut van dit sacrament inhouden. Daarom is het een versterking van hun doodzonde dat zij er uiteindelijk zo opzichtig van afzien. Volgens Thomas kan iemand die meer kennis heeft van het goddelijke immers ook meer zondigen. Hierdoor wordt hun drama dus nog eens versterkt.

                  Deze twee genoemde elementen, het stokken van de communicatie (doordat de bode de brief niet kan bezorgen) en de versterkte tragiek, komen samen in het sacrament van de biecht. Dit wordt duidelijker aan de hand van de uitleg van Weigel (2002) over dit sacrament:

 

Thinking about confession in a dramatic context rather than a legal one may help explain the widom of the classic practice. Every Christian life (...) has the interior structure of a drama. Each Christian life, including the lives of saints, is lived in the gap between the person I am and the person I ought to be. Life within that gap has an inherent dramatic tension to it, and there is no drama without dialogue. Invidual confession is one way the Church creates the opportunity within the drama of the Christian life for that dialogue to unfold in a deeply personal way. (...) Confession within the drama of the Christian life is best understood as a genuine converstation between confessor and penitent. (p.89-90)

 

Het beëindigen van de dialoog tussen Romeo en de pater ligt dus in het opgeven van de communicatie die de biecht biedt en niet in het niet aankomen van de brief. Sterker nog: ze worden tegenover elkaar gezet. De pater probeert van zijn kant nog wel te communiceren, maar wordt (door - zoals genoemd - katholiek verantwoorde redenen) gedwarsboomd, waardoor deze mislukking onschuldig is. Hij blijft als “holy man” gezien worden. Het afbreken van de communicatie van Romeo’s kant is daarentegen wel zondig. Hij zou naar de pater moeten gaan in plaats van, vertrouwend op zijn eigen gebrekkige onderscheidingsvermogen, naar de apotheek om vervolgens naar Juliets graf af te reizen. Door zijn afzien van de dialoog wordt het drama in zijn leven niet langer in de richting geleid van wie Romeo moet zijn, maar naar wat hij is. Aan wat hij is, een vereerder van zijn afgodin, gaat hij vervolgens tenonder.

 

Johan Weij is een protestant die in een vergelijking tussen de katholieke (Trente) en de protestantse wijze (Luther en Calvijn) van met schuldbesef omgaan (vgl. Weij, 1999, p.25-26) tot de conclusie komt dat in de protestantse praktijk vooral deze pastorale uitwisseling als gemis wordt ervaren (p.77). Shakespeare geeft het belang van dit aspect van de biecht aan door de gevolgen van het afzien ervan, zoals in zijn protestantse omgeving de praktijk was, in alle hevigheid te tonen. Romeo en Juliet verdwalen en verstikken in de doodzonde in plaats van ervan af te komen, wat expliciet binnen de mogelijkheden van hun aanvankelijke tradities lag. De dramatische tegenstelling tussen optie en praktijk toont hoezeer Shakespeare hier een katholieke praktisering van de biecht aan de orde wil stellen. Romeo en Juliet zien dus, opnieuw net als Luther, af van dit sacrament van boete en verzoening. Net als Weij wijst Shakespeare op de gevolgen van het gemis daarvan, alleen is hij explicieter in het erkennen van de noodzaak, wat hem katholieker toont dan Weij.

 

3.4. Eucharistie

 

Hoewel de heilige mis in het Engeland van die tijd ten strengste verboden was en er hoge boetes op het bijwonen ervan stonden (zie ‘Was Shakespeare katholiek) noemt Shakespeare het sacrament openlijk in Romeo and Juliet. Hij doet het echter op een manier waardoor het niet opvalt hoe nauw hij betrokken was bij de katholieke liturgische praktijk: “Or shall I come to you at evening mass?”, vraagt Juliet aan de pater (IV,1,38). Op basis van dit citaat is er vaak geconcludeerd dat Shakespeare kennelijk niets wist van de toenmalige katholieke traditie rond de eucharistie. Het concilie van Trente had avondmissen immers expliciet verboden. Een van de argumenten daarvoor was het voorschrift van nuchterheid voor het communiceren. Shakespeare blijkt echter goed op de hoogte van de traditie, want er blijken uitzonderingen geweest te zijn op de regel (of de regel werd omzeild), tot zelf in de pauselijke kapel toe. Friedrich Brenner meldde in de negentiende eeuw dat er tot in zijn tijd avondmissen werden gehouden in Venetië, Vercelli en Verona, waar Shakespeare Romeo and Juliet situeerde (Shaheen, 2002, p.519, vgl. Milward, 1973, p.29 en Hammerschmidt, 2003, p.147). Plaatselijke, afwijkende liturgische tradities die langer dan honderd jaar bestonden werden namelijk wel door Trente gedoogd. Het is goed mogelijk dat Shakespeare dit als truc heeft gebruikt om de censuur om de tuin te leiden: protestanten kregen het idee dat Shakespeare niet precies wist wat hij over katholieken kon schrijven, terwijl ingewijde katholieken wisten hoe goed hij juist op de hoogte moest zijn van de locale tradities. In ‘Was Shakespeare katholiek’ werd aangegeven dat Shakespeare zijn ‘verloren jaren’ waarschijnlijk grotendeels in Italië heeft doorgebracht. Schoenbaum (1987) vindt zijn kennis van Italiaanse gewoontes en liturgische praktijken weliswaar geen voldoende bewijs voor Shakespeares verblijf in Italië, maar geeft wel aan dat uit die kennis blijkt dat hij had “much familiarity but little awkwardness in his treatment of Catholic customs and beliefs” (p.61).[11]

                  Interessant aan dit citaat van Juliet is niet alleen wat het zegt over Shakespeares insiders-kennis, maar vooral ook wat het in het verhaal wil zeggen. Juliet stelt namelijk wel voor om naar de avondmis te komen en toont daarmee een kennis van de katholieke praktijk bij pater Laurence, maar ze zegt het eigenlijk om de op dat moment in de weg staande Paris ‘weg te werken’. Daarmee verdedigt ze wel haar huwelijk en het geheimzinnige karakter van de biecht, maar niet de eucharistie zelf. Juliet komt bovendien ’s avonds helemaal niet naar de heilige mis. Die avond ligt ze schijndood in haar graf, waar ze, eenmaal uit ontwaakt, een einde aan haar leven maakt. Het aanbod om het sacrament van de eucharistie, waarin sterven en verrijzen van Christus centraal staan, te bezoeken staat dus in schril contrast met haar eigen zogenaamde sterven en verrijzen die avond: zij verrijst immers alleen om een definitieve dood te sterven (vgl. Apok.20,14), waar Christus verrees om het definitieve leven te bewerken. Juliet ziet dus af van het geheim van het tweede leven, waarvoor het sacrament van de eucharistie het onderpand is, maar kiest het tegengestelde: de tweede dood. Milward (2000) werkt dit idee verder uit aan de hand van een analyse van Shakespeares noemen van de dag des oordeels (‘Doomsday’) (p.14-15), ook in vele van zijn andere werken.

 

3.5. Doopsel

 

In ‘Was Shakespeare katholiek?’ is het doopsel aan de orde geweest in verband met Shakespeares eigen doopsel. Daarbij is aangegeven dat dit het enige sacrament is dat protestanten en katholieken werderzijds van elkaar erkennen. Het doopsel is dan ook niet prominent aanwezig in het sacramenteel georiënteerde Romeo and Juliet: het geeft ook niet zo duidelijk de verschillen tussen de religies weer. Toch wordt het eenmaal genoemd en die keer illustreert het de houding in het hele stuk. Nadat Juliet Romeo heeft opgeroepen zijn naam te verlaten en familie te verloochenen, wat behandeld is in het hoofdstuk over de nominalistische filosofie, reageert Romeo daar, zoals gezien, bevestigend op. Hij doet dat met de woorden:

 

                  I take thee at thy word.

                  Call me but love and I’ll be new baptized.

                  Henceforth I never will be Romeo. (II,1,01-93)

 

Het opnieuw dopen is nu net een van de aspecten waarover wel verschillende theologische opvattingen bestaan. Al in de Middeleeuwen ontstond in Zürich de traditie van de wederdopers, die zich ontwikkelde als een radicale uitwas van het protestantisme, dat ook een individuele houding van de gelovige ten opzichte van zijn schepper promootte zonder tussenkomst van kerk of staat. Hoewel ook Zwingli in conflict kwam met de wederdopers, werd het idee van het opnieuw dopen, omdat een eerder (kinder)doopsel, ongeldig zou zijn (vgl. Catechismus van Trente, II, nr.32, p.217-218), in het algemeen streng van de hand gewezen door de katholieke kerk:

 

Om wille van de kracht en het wezen van dit merkteeken heeft de Kerk bepaald, dat het Doopsel om geen enkele reden mag herhaald worden; de geloovigen moeten dus dikwijls en met zorg daarover onderricht worden, om te beletten dat zij in dwaling zouden vallen” (II, nr.55, p.231-232).

 

Dat Romeo een toespeling maakt op deze ‘ketterij’ van het opnieuw dopen is een nieuwe aanwijzing van zijn beginnende afkeer van de katholieke manier van het beleven van de sacramenten. Hoewel het op het eerste gezicht lijkt dat protestanten en katholieken het op het gebied van het doopsel redelijk met elkaar eens zijn (de ouders van Shakespeare hadden als katholieken geen bezwaar om hun kinderen in de protestantse kerk te laten dopen), weet Shakespeare in Romeo and Juliet toch een aspect van onderscheid aan te raken.

Bovendien is de opmerking direct gerelateerd aan de behandelde nominalistische naamsverloochening: de (doop)naam wordt immers officieel bij het doopsel gegeven (vgl. II, nr.76, p.240-241). In deze ene opmerking komen dus de afwijzing van de thomistische filosofie en de afwijzing van de sacramentele theologie van het katholieke geloof samen en is daarmee proleptisch voor de uiteindelijke ondergang van Romeo en Juliet. Shakespeare toont hoe het afzien van de rijkdom van het katholicisme kwalijke gevolgen heeft voor de ontwikkelingen, met name als men zich eerder wel aan die bron gelaafd heeft en dus op de hoogte is of zou moeten zijn van de enorme schat die de reformatie heeft afgezworen, zoals Shakespeare ook laat zien.



[1] Shaheen (2002) geeft aan dat Shakespeares woordkeuze meer aan de anglicaanse ritus doet denken (p.520), maar dat ligt voor de hand, omdat Shakespeare het Engels gebruikte in de dagelijkse spreektaal van zijn personages en niet het Latijn, waarin de katholieke ritus is geformuleerd. (Pas sinds het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) zijn vertalingen toegestaan).

[2] Vgl: “The importance of the sacramentality of marriage, and the need of faith for knowing and living fully this dimension, could give rise to some misunderstandings either regarding the admission to the celebration of marriage or judgments about the validity of marriage. The church does not refuse to celebrate a marriage for the person who is well disposed, even if he is imperfectly prepared from the supernatural point of view, provided the person has the right intention to marry according to the natural reality of marriage. In fact, alongside natural marriage, one cannot describe another model of Christian marriage with specific supernatural requisites.” (Johannes Paulus II, 2003, nr.8)

[3] vgl. Mercutio in II,1,106: “A plague o’ both your houses”.

[4] Shakespeare heeft in zijn jeugd ook les gehad van een benedictijn, zie ‘Was Shakespeare katholiek?’. Milward (2000) geeft overigens wel aan dat pater Laurence als franciscaan veel weg heeft van een jezuïet (p.11).

[5]Eens voltrok de vernieuwing van de kerk zich voornamelijk via de religieuze orden. Zo was het in de periode na de val van het Romeinse rijk met de benedictijnen en, in de Middeleeuwen, met de bedelorden: franciscanen en dominicanen; zo was het in de periode na de Hervorming met de jezuïeten en anderen die soortgelijke initiatieven ontplooiden’; in de achttiende eeuw waren het de redemptoristen en passionisten; in de negentiende eeuw waren het de dynamische missiecongregaties als de verbieten, de salvatorianen en natuurlijk de salesianen.” (Messori, 1994, p.154)

[6] Vgl. Hermia in A midsummer night’s dream, Hero in Much ado about nothing of Isabella in Richard III.

[7] Vgl. Milward, 1973, p.246: “...which reiterate the Christian view of death as a seperation of soul and body, each turning to its native abode, the body to its mother, the earth, and the soul to its heavenly Father”.

De opmerking van Romeo’s knecht Balthasar is in dit eschatologische opzicht ook weinig bepalend: “Her body sleeps in Capel’s monument, / And her immortal part with angels lives” (V,1,18-19). Dit zegt niets over waar Juliet is: de opmerking kan immers ook op gevallen engelen slaan, al zal dit niet de bedoeling van Balthasar zijn, die de situatie niet zo goed kent als de biechtvader.

[8] Volgens Cartmell (2000) komt dit in de verfilming van Franco Zeffirelli (1968) goed tot uiting: “The excision of the paternal friar from this scene makes Romeo and Juliet more mature and therfore more responsible for their fate” (p.46).

[9] Paus Pius X heeft vanaf 1905 pas de veelvuldige, zelfs dagelijkse communie gepromoot. Daarvoor was de praktijk die van een paascommunie of hooguit enkele keren per jaar voor de leken gewoon.

[10] Onlangs is deze specifieke situatie actueel geworden naar aanleiding van de discussie rond het ontvangen van het oliesel door mensen die daarna euthanasie willen ondergaan.

[11] “Critics often note the drama inherent in the Catholic Mass - spectacle of custume and gesture, dialogue in antiphonal singing, and representation in the bread and wine” (Richmond, 2000, p.27). Ook de dramatische opbouw (vgl. de bedrijven in het toneel) in de mis meer herkenbaar in de katholieke mis dan in een protestantse dienst. Dit argument van Richmond is echter van meer algemene aard.

 

<== Klik hier om terug te gaan naar de beginpagina <==