2.
Thomistische tegenover
nominalistische
filosofie
Aan
de reformatie, waardoor de christelijke theologie in West-Europa
in twee kampen werd verdeeld, ging een filosofische tweedracht
vooraf. De scholastieke traditie, voorbereid door onder andere
Sint-Bonaventura en Sint-Albertus Magnus, bereikte zijn climax in
het werk van de dominicaan Sint-Thomas van Aquino. Het thomisme
maakte enerzijds, in navolging van Aristoteles, onderscheid
tussen materie en vorm, waarbij de materiële vormen (materia
signata) de laagste, en de stofloze (subsistentes) de
hogere vormen zijn, met de Godheid als hoogste. Anderzijds wordt
er een onderscheid gemaakt tussen het wezen (essentia, wat
iets is) en het zijn (existentia, dat iets is)
(Vorländer, 1971, p.70). Thomas baseerde zijn ethiek en politiek
vervolgens op zijn kenleer. In de summa contra
gentiles legt hij uit dat het zijn zelf een goed is:
daarom streven alle dingen het zijn na. Dus is elke werking
en beweging omwille van een goed (Thomas van Aquino, 1993,
p.24). Het kwaad ligt, hoewel het vrijwillig gescheid, buiten de
bedoeling (p.31). Het onderscheid tussen goed en kwaad is daarom
een kwestie van de rede (p.35; vgl. Vorländer, 1971, p.71-72) en
de wil die haar voedt (Thomas van Aquino, 1993, p.42-42). Goed en
kwaad zijn daarom geen tegengestelden, maar het kwaad is een
(door het goede veroorzaakte) ontbreken van het betere, dat
uiteindelijk nooit het totale goed teniet kan doen
(p.45). De morele verwording hoeft echter geen eindpunt te
kennen.
Als
God bestaat, waar komt dan het kwaad vandaan? Men zou
integendeel moeten beweren: als het kwaad bestaat, bestaat God,
want er zou geen kwaad zijn waneer de orde van het goede (...)
werd opgeheven. Deze orde zou er niet zijn als God niet bestond.
(p.54)
Iets
goed of kwaad noemen is afhankelijk van de goddelijke (hoogste)
vorm. Iets is kwaad zoveel als het afwijkt van het goddelijke
standaard.
Op
dit thomisme kwam kritiek, die zijn (voorlopige) climax bereikte
in het werk van de franciscaan William van Ockham. Zijn
nominalisme kende geen strikt onderscheid tussen materie en vorm:
alleen
individuele dingen zijn werkelijk. De algemene begrippen
existeren slechts in de denkende geest (...). Zij zijn de
scheppingen van het verstand, gedachtenconcepties (vandaar ook de
naam conceptualisme). Onze begrippen zijn geen
werkelijke afbeelding van de dingen, maar enkele tekens [vandaar
ook de naam terminisme]. (Vorländer, 1971, p.84-85)
Geloof
en rede (fides et ratio) kwamen bij Ockham tegenover
elkaar te staan. Kennis werd afhankelijk van intuïtie en
ervaring in plaats van vaststaande algemeenheden. Het nominalisme
zegt, als voorloper van het twintigste eeuwse poststructuralisme,
dat een naam niets meer zegt over wat iets is, sterker nog: het
is onzeker wat een zijnde werkelijk is. Ook Ockham baseerde
vervolgens zijn ethiek en politiek op zijn kenleer (of liever:
zijn niet-kenleer):
De
ethiek staat bij Ockham en zijn school op een zwakke basis, omdat
ze in verband wordt gebracht met de leer van Gods absolute
willekeur. Er bestaat geen goed en kwaad op zichzelf, maar alleen
door Gods wil. (Vorländer, 1971, p.86)
Intuïtie
en ervaring worden zo de basis voor het persoonlijke geweten. De
wil van de gemeenschap komt boven de hiërarchie te staan, zowel
de kerkelijke als de wereldlijke, waardoor bijvoorbeeld
tirannenmoord tot de mogelijkheden gaat behoren (p.86).
Dit concept van de dubbele waarheid komt centraal te staan in de
renaissancistische filosofie en ligt ook aan de basis van het
reformatorische denken van Luther: Luther heeft
ongetwijfeld een diepgaande invloed van het ockhamisme ondergaan
(...). Hij is voluntaristisch (p.164). Although he
rebelled against Scholastic theology, its nominalist faction,
nonetheless, shaped the way he thought about religious
questions (Young, 1997, §5). Luther kende zich helemaal
afhankelijk van Gods onbekende wil en genade en kon niet
vertrouwen op beredeneerde zekerheden, zoals Thomas. Dat maakt de
rede ondergeschikt aan het geloof: alle zekerheid over Gods wil
is die geopenbaard is in zijn woord in de bijbel. De basis van
zijn denken is: sola gratia, sola scriptura en sola
fide.
Shakespeare, die in zijn tijd te maken kreeg met deze
filosofische vete, laat zijn karakters er ook mee worstelen.
The
clear-cut thinking of Thomas Aquinas was gone, but the effect of
his intricate analysis of the relation of the passions to sin was
apparent in most of the Renaissance discussion of virtue.
(Campbell, 1986 [1930], p.93)
Een
ethiek die wortelt in de natuur, is dus een gezonde ethiek. (...)
Shakespeare maakt dit uitgangspunt principieel ook tot het zijne.
(Van Impe, 1999, p.47)
Hamlet
bijvoorbeeld, opgeleid aan de protestantse universiteit van
Wittenberg, filosofeert over de existentia. To be,
or not to be; that is the question (Hamlet, III,1,58) is
een typisch uitgangspunt van Thomas, die ook het zijn boven het
denken stelde: de religieuze mens dorst naar het zijn
(Van der Does de Willebois, 1984, p.88; vgl. Messori (red.),
1994, p.53). Het thomisme ging echter verder door te stellen
dat het beter is te zijn dan niet te zijn (p.40).
Omdat Hamlet over die stap nog twijfelt: Whether tis
nobler in the mind to suffer (...) or take arms (Hamlet,
III,1,59-62), is hij niet in staat zijn uitgangspunten in
overeenstemming te brengen met zijn opdracht tot tirannenmoord,
die hij met de nominalistische ethiek associeert. Of Hamlet
uiteindelijk aan zijn twijfel ten onder gaat, aan het feit dat
hij uiteindelijk de wapens wel opneemt, of dat hij een mooie
jezuïtische oplossing heeft gevonden die hem tot het
martelaarschap voert, is moeilijk te zeggen. Shakespeare laat het
aan de toeschouwer. De strijd van Hamlet speelt zich echter in
ieder geval niet alleen op psychologisch, maar ook op
scholastiek-filosofisch niveau af.
In
Romeo and Juliet loopt de twist tussen scholastiek en
nominalimse duidelijker parallel aan de plot. Hierin sluit de
conclusie van het verhaal aan op de filosofische misstappen die
er gezet zijn: zo maakt Shakespeare zijn toneel tot een vorm van
(ethische) filosofie: Shakespeare himself has given us this
philosophy of tragedy as the stimulus to conscience
(Campbell, 1986 [1930], p.37). Campbell geeft als algemeen punt
aan waarin Shakespeare het thomisme volgt de opvatting dat
passies die niet door de rede gecontroleerd worden tot zondes
voeren en passies die door de rede geleid worden tot deugden
(p.97):
This
distinction (...) is absolutelly necessary to make if we are to
see the difference between the villain and the tragic hero in
Shakespeare. The tragic hero sins under the influence of passion,
his reason failing to check his passion. His passion may lead him
to madness, but as long as his passion is in conflict with
reason, he has not committed mortal sin [vgl. bv. Hamlet]. When,
however, passion has taken possession of his will, has perverted
his will, when in perfect accord with his passion his reason
directs evil through the will, then we have a villain, one who is
dyed in sin, and one whose sin is mortal. (p.101)
Romeo
en Juliet lijken op het eerste gezicht een voorbeeld van de
tragische helden die hun passie niet laten leiden door hun wil en
daardoor zondigen. De situatie ligt echter complexer. Richard
Weaver legde uit hoe Macbeth met zijn gebrekking oog voor de
realiteit een nominalist genoemd kan worden en Young (1997)
werkte dit idee verder uit voor verschillende andere
Shakespeareaanse personages, waaronder Romeo en Juliet. Wat
betreft Juliet geeft hij aan dat ze worstelt met de genoemde,
wankele moraal die aan de nominalistische visie eigen is:
the fictional substance of his plays dramatizes the moral
consequences of nominalism (§1).
De
beroemdste scène uit Romeo and Juliet is de balkonscène,
waarin Juliet, zonder te weten dat Romeo het hoort, uitroept:
O Romeo, Romeo, wherefore art thou Romeo?
Deny thy father and refuse thy name,
(...) Whats in a name? That wich we call a rose
By any other word[1] would smell as sweet.
(II,1,75-91)
Volgens
Young begint hier de ontwikkeling van een nominalistische visie
bij Juliet, die zichzelf door de oproep van het verlaten van de
naam, die in haar ogen niets betekent, uiteindelijk tot
een identiteitscrisis brengt. Romeo en Juliet zien
elkaar immers niet meer als een mens, maar als een
god, een onderscheid dat in Ockhams individuele
benadering der dingen van ondergeschikt belang wordt.
Do not swear at all;
Or, if thou wilt, swear by thy gracious self,
Which is the god of my idolatry,
And Ill believe thee. (II,1,154-157)
Door
de naam te verloochenen wordt het beeld op het wezen zelf
diffuus. Voor Thomas was de naam wel met vorm en wezen verbonden,
waardoor ook de moraal duidelijk gefundeerd was in de werkelijke
hoogste vorm en niet in de intuïtie en ervaring van de personen,
zoals bij Ockham. Shakespeare vermeldt niet voor niets
verscheidene malen dat Juliet nog zo jong is: haar nog gebrekkige
ervaring kan haar gemakkelijk misleiden. It is clear that
the moral force of Juliets personality grows along with her
love for Romeo (Young, 1997, §9). Door hun afgoderij van
elkaar wordt, zoals Campbell aangaf, de moraal niet langer
gebaseerd op een universele waarheid, maar op een persoonlijke
passie. Niet alleen de genoemde tirannenmoord, maar ook zelfmoord
kan als gepaste intuïtie opkomen in een zon wankel
gefundeerde moraal. Al meteen vertelt Juliet tegen haar min dat
het idee aan zelfmoord bij haar opkomt als Romeo al getrouwd
mocht blijken te zijn: Go ask his name. If he be married, /
My grave is like to be my wedding-bed (I,5,133-134).
Romeo
is de basis van haar leven geworden en Romeo is als basis al net
zo onstabiel. Hij heeft zijn naam op Juliets verzoek inderdaad
verloochend: My name, dear saint, is hateful to myself, /
Because it is an enemy to thee (II,2,53-56). En ook van
Rosaline, zijn eerdere geliefde, is hij de naam vergeten:
I have forgot that name and that names woe.
(II,2,46).[2] Van een heilige
(dear saint) wordt Juliet vervolgens een godin, want
op het moment dat hij verbannen is en zij tegen haar min
uitroept: Ill to my wedding bed, / And death, not
Romeo, take my maidenhead! (III,2,136-137), vertelt Romeo
iets soortgelijks tegen pater Laurence: Heaven is here /
where Juliet lives (III,3,29-30). Stanley Wells bevestigt
dit: It is full of idealism, of ardent aspiration, of an
adoration that is religious in its intensity (1994, p.79).[3]
In their idealising, transfiguring imagery they repeatedly
locate each other outside morality, in the heavens, among the
inauspicious stars, not at their mercy (Belsey, 1998,
p.56). Deze afgoderij wordt vervolgens wel verwoord in katholiek
getinte termen: in Romeo and Juliet the heros
delighted exclamation in the famous love-scene, O blessed,
blessed night! (II,1,181), recalls the solemn chant of Holy
Saturday, the Exultet, with its repeated O vere
beata nox. (Milward, 1973, p.29).
De
pater, een rol die door Shakespeare zelf gespeeld is (Honan,
1999, p.205), weet vervolgens precies waar het probleem van Romeo
zit: hij maakt een denkfout door de rede niet boven zijn passie
te plaatsen:
Ill
give the armour to keep off that word.
Adversitys
sweet milk, philosophy,
To
comfort thee though thou art banished. (III,3,54-56)
Hoewel
verondersteld zou kunnen worden dat de pater hier op de filosofie
van de Stoa doelt, die Shakespeare vaker gebruikt, en Romeo dus
alleen tot een kalmere, stoïcijnse houding maant, is hier meer
aan de hand. Niet alleen wordt er vermaand tot een meer gematigde
vorm van de passie, maar de zelfmoord wordt zelf expliciet
aangevallen: in Romeo and Juliet, not only the
conception of romantic love implicitly critizised from the
viewpoint of the friar, but Romeos proposal to commit
suicide out of despair is roundly condemned by him
(Milward, 1973, p.239). De echt stoïcijnse personages bij
Shakespeare, zoals Brutus in Julius Ceasar en Horatio in Hamlet,
hebben juist ook een suïcidale instelling. Net als de
antique Roman Seneca accepteren zij zelfmoord gelaten
als onontkoombare uitkomst (vgl. Woldring, 2002, p.98vv en
Hunter, 1967). Zij geven dus niet de troost die pater Laurence
hier bedoelt: namelijk dat Romeo blij moet zijn aan de dood (door
executie) te zijn ontsnapt. Het gaat hier volgens de pater om een
wapen om het woord tegen te gaan (keep off that
word). Bij hem hebben woord en werkelijkheid wel een
relatie. De thomistische filosofie geeft op die manier de troost
van een hoger doel en zekerheid. Toch pikt Romeo het niet op:
Yet
banished? Hang up philosophy!
Unless
philosophy can make a Juliet, / (...)
It
helps not, it prevails not. Talk no more. (57-60).
Romeo
volhardt in zijn nominalisme. Hij wil een filosofie die in dienst
staat van zijn afgoderij, niet een die daartegen de wapens
opneemt om er zo een eind aan te maken.
Pater
Laurence probeert hem verder te overtuigen, maar Romeo stelt dan:
Thou canst not speak of that thou dost not feel (64).
Romeo stelt, net als Ockham, intuïtie en ervaring boven
beredeneerde waarheid en die zijn bij Romeo niet dezelfde als bij
pater Laurence. Omdat de pater anders voelt, heeft hij volgens
Romeo ook een andere moraal: universal ideas are of no
force in the face of immediate, particular emotion (Young,
1997, §9). Zo zal uiteindelijk Romeos gebrek aan thomisme
voor hem destructief zijn: de optie van zelfmoord is bij Romeo
nog explicieter dan bij Juliet: hij gaat het gif ruim van te
voren bij de apotheker kopen.
Nominalism,
which begins as an epistemological idea, eventually breeds moral
consequences: if universal terms are only subjective mental
conventions, then universals such as the natural law cannot apply
to all men, at all times, and in all places. The result is moral
relativism. (§16)
Pater
Laurence noemt deze kortzichtigheid van Romeo expliciet: O
deadly sin (24). Romeo is dus niet langer meer de tragische
held die, volgens Campbells uitleg, zondigt door zijn passie,
hoewel hij weet dat de rede die zou moeten kanaliseren, maar
iemand die zijn wil door zijn passie laat overnemen. De rede
leidt de wil niet en de wil voedt de rede niet meer en dus pleegt
hij een doodzonde, zoals de pater aangeeft. Deze wordt bezegeld
in zijn uiteindelijke zelfmoord. Shakespeare maakt zo de zondaar
herkenbaar en invoelbaar, doordat hij met hen mee laat leven,
maar toont vervolgens de morele consequenties van hun
relativistische filosofie in hun ondergang, want deze zonde moet
wel leiden tot de dood. Door hun gebrek aan redelijke beteugeling
van de wil plegen Romeo en Juliet zelfmoord.
Zelfmoord
is niet iets wat je overkomt door toevallige omstandigheden, maar
komt voor uit een intrinsiek probleem, of die nu uit bewuste
keuze of in een aanval van paniek wordt uitgevoerd. Dat laatste
is hier niet het geval, gezien de verschillende aankondigingen
die beiden voor hun ultieme daad deden. Het is dus niet zo als
Holden (2000) zegt dat poor Romeo and Juliet, of course, do
nothing wrong to earn the dire fate that befalls them both by the
end of their own sad saga (p.27). Uiteindelijk plegen ze de
zelfmoord zelf: en de instelling om daartoe te komen maken zij
vanaf hun eerste ontmoeting bekend. Romeo and Juliet zou
niet zon herkenbaar en diep menselijk drama zijn gevonden
als de negatieve spiraal extern van de hoofdpersonen zou hebben
plaatsgevonden. Een brief die niet aankomt of een pater die niet
op tijd op de plek des onheils verschijnt zijn geen voldoende
redenen om de hoofdpersonen dit lot te laten ondergaan. Er moet
iets inherents aan hun gedachten en daden zijn dat tot dit einde
moet leiden, net zoals bij Hamlet, Othello of Macbeth, die een
interne stijd tegen hun eigen geweten en ideeën voeren. Girard
(1995) interpreteert het ook zo:
Pyramus
en Thisbe [A Midsummer nights dream] sterven net
zoals Romeo en Julia vanwege de vereisten van een literair genre.
In zijn tweede stuk steekt Shakespeare openlijk de draak met de
twee geliefden door duidelijk te laten zien dat er niets is dat
hen scheidt en dat niemand ze naar de dood drijft. In Romeo en
Julia waarschuwt broeder Lorenzo Romeo tevergeefs voor zijn
eigen dwaasheid. (Girard, 1995, p.402; vgl. Wells, 1996, p.113 en
Wells, 1994, p.77)
Dat
Holden Romeo and Juliet een morality play with
ringing contemporary resonances (p.28) noemt is daarom
terecht, maar op een dieper niveau dan alleen de kritiek tegen
gewelddadige vetes die tot de ondergang van onschuldigen leidt:
het gaat hier om de ondergang van schuldigen, die dramatisch is
omdat de schuld zo invoelbaar en herkenbaar is. Als zoenoffer
zijn ze nog geen onschuldig slachtoffer, zoals Jezus dat in de
christelijke traditie is. Ze bedelen elkaar alleen onterecht
die rol van de goddelijke toe.
Umberto
Eco legde het verband tussen nominalisme en de beroemde uitspraak
van Juliet expliciet in de titel van zijn roman The name of
the rose, waarin de hoofdrol, William of Baskerville, een
ockhamistische franciscaan is (Young, 1997, §8) in tegenstelling
tot de franciscaan Laurence in Romeo and Juliet. Gezien
het gebrek aan kritiek op de visie van Baskerville was de
bedoeling van Shakespeare met dit nominalistische verband aan Eco
echter wellicht minder duidelijk: What interests
Shakespeare is not (...) an epistemological theory in itself, but
its effect in the moral lives of his characters (§9).
Belsey (1998) legt uit dat hierin ook de herkenbaarheid van Romeo
and Juliet voor een postmodern publiek ligt: het loslaten van
de metafysica in sympathieke, meeslepende karakters, opent door
hun ondergang de ogen voor een gemis (p.47).[4]
In
recognizing that the name of the rose is arbitrary, Juliet shows
herself a Saussurean avant la lettre, but in drawing the
inference that Romeo can arbitrarily cease to be a Montague, she
simply affirms what her own desire dictates. (...) In place of
Romeos name Juliet offers her self, implying
that beyond their names, as beyond the name of the rose, the
lovers could exist as unnamed selves. This move to trancend the
signifier, however, the play at once makes clear, is precisely a
contradiction. (p.51-52)
Jaques
Derrida, die als poststructuralistische filosoof zelf object en
naam definitief van elkaar heeft ontkoppeld, spreekt in een essay
over Romeo en Juliet van hun idealiserende passie, maar komt niet
tot de conclusie dat deze passie voortkomt uit hun gebrek aan
inzicht in de betekenis van een naam:
The
name is dead because it is ancestral. Proper names imply that
words may be no more than subtitutes for things, labels for the
objects they refer to, without meaning in themselves (p.53-54).
Romeo
would not be what he is, a stranger to this name, without this
name. (Moisan, 1994, p.51)
Shakespeare
wilde echter duidelijk maken dat de familiebanden wezenlijk zijn
voor iemands identiteit: je kunt jezelf niet losmaken van je
wortels (wat overigens niet wil zeggen dat het een
gerechtvaardigde grond voor een familievete is). Romeo zou zonder
zijn naam nog steeds een Montague zijn, en kan daarom ook niet
zonder die naam. Derrida maakt dus in Shakespeares optiek
dezelfde denkfout als Romeo en Juliet. Het is in dit opzicht
opvallend dat Derrida in zijn boek The gift of death
(1995) aangeeft dat hij geen grenzen erkent in de rede en de
verantwoordelijkheid in het aanvaarden van de dood, of die nu
door offer, executie, moord of zelfmoord tot stand komt.
Derrida komt kortom op dezelfde wankele moraal uit als Romeo en
Juliet.[5]
Vlak
na de genoemde kritiek van de pater op Romeos doodzonde
volgt de huwelijksnacht van Romeo en Juliet. De volgende morgen
moet Romeo snel weg in verband met zijn achtervolgers. Juliet
probeert hem echter over te halen te blijven door te stellen dat
de vogel die ze buiten horen zingen geen leeuwerik
(ochtendvogel), maar een nachtegaal is: alsof een andere naam op
de vogel plakken ook diens wezen zou veranderen. The
referential truth is available here, but it is not what matters.
(...) The same bird known by any other name would make the same
sound, but it would be of no interest (Belsey, 1998, p.57).
Romeo laat zich overtuigen om te blijven, maar als er later meer
licht door het raam valt, krijgt de vogel voor de licht
paniekerige Juliet plots weer allerlei kenmerken van de
leeuwerik: Some say the lark and loathed toad changed eyes.
/ O, now I would they had changed voices, too (31-32).[6]
Het
idee van de naam van de roos zelf komt bij Shakespeare ook vaker
voor. Freinkel (2002) legt in Willful abuse: The canker and
the rose uit dat Shakespeare in zijn sonnetten speelt met
het verschil tussen rose en canker. Beide
bloemen zien er hetzelfde uit, maar de canker
ontbeert de geur die de roos verspreidt. Hier wordt duidelijk dat
de naam van evident belang is om het verschil tussen de twee
bloemen, die er hetzelfde uitzien, aan te geven. De roos zou met
een andere naam, canker, immers helemaal niet even
zoet ruiken. Shakespeare gebruikt canker bovendien in
twee betekenissen, namelijk ook die van de worm in de roos, die
de roos verpest, waarmee hij het belang om zorgvuldig met
naamgeving om te springen nog eens onderstreept (p.5).[7]
Het nominalistische ontkennen van het belang van de naam werkt
net zo verpestend. Het is ook in die betekenis van het woord, de
schadelijke worm, dat pater Laurence het al eerder gebruikte in
de openingstekst waarmee hij zichzelf in zijn kruidentuin aan het
publiek introduceerde:
Two such opposed kings encamp them still
In man as well as herbs, grace and rude will;
And where the worser is predominant,
Full soon the canker death eats up that plant.
Hiermee
wordt precies de strijd tussen passie en rede aangeduid zoals
Thomas zich die voorstelde.
Here
we jave a triangular distinction between nature and
grace and sin, which increasinglly enters
into the meaning of Shakespeares plays and imparts a deep
structure to his dramatic presentation of mans condition in
this world. (Milward, 1973, p.266, vgl. Honan, 1999, p.209)
Deze passie en rede moeten volgens de pater, die Thomas volgt, in balans zijn, want als het leunen of op de genade (sola gratia), of op de wil zonder die op de genade af te stemmen, de overhand krijgt, dan zal dat leiden tot de dood(zonde), zoals de plant aangevreten wordt door de worm (Shaheen, 2002, p.513-514).[8]
[1] Wells & Taylor
(1988) menen dat in het origineel in plaats van name
het woord word heeft gestaan (p.345). Hoewel de
betekenis van het citaat hetzelfde blijft, verschuift de nuance
in de kritiek: name verwijst naar het nominalisme,
dat de reformatie beïnvloedde, word verwijst naar
Luthers concentratie op het woord alleen, en dus direct naar het
reformatorische sola scriptura.
[2] Overigens verafgoodde Romeo Rosaline ook al, waaruit blijkt dat Romeo echt een structureel, inherent probleem heeft, dat hem uiteindelijk fataal zal worden: When the devout religion of mine eye / Maintains such falsehood, then turn tears to fires; / And these who, often drowned, could never die, / Transparant heretics, be burnt for liars. / One fairer than my love! the all-seeing sun / Never saw her match since first the world begun (I,2,90-95), om in scène 1,5 om te slaan naar Juliet: Did my heart love till now? Forswear it, sight, / For I neer saw true beauty till this night (r.51-52). Hiervoor wordt Romeo op de vingers getikt door pater Laurence: Holy Saint Francis, what a change is here! / Is Rosaline, that thou didst love so dear, / So soon forsaken? (II,2,65-67). (Vgl. Milward, 2000, p.11)
[3] Het is niet zo dat
Shakespeare eenvoudig het tegenovergestelde van deze zweverigheid
als ideaal voor ogen had: vergeleken met het liefdesverhaal
Romeo and Juliet, twee jonge verliefden voor wie de wereld
om hen heen nauwelijks lijkt te bestaan, zijn Antonius en
Cleopatra twee volwassenen die zich terdege bewust zijn van de
hen omringende wereld (Woldring, 2002,p.111). Hen speelt
juist weer het gebrek aan magie en contemplatie parten.
[4] Albert Camus schreef
al in 1942 dat hij slechts één filosofische probleem werkelijk
ter zake doende vond, namelijk zelfmoord (Van der Does de
Willebois, 1984, p.91).
[5] Dat het
voor Romeo en Juliet problematisch is om hun onontkenbare band
met hun voorouders te willen ontkennen, wordt verder uitgewerkt
in het sacramenteel-theologische aspect hiervan in het volgende
hoofdstuk.
[6] Bovendien beweert Clare Asquith dat nightingale een katholiek code-woord was, waarvan Shakespeare als ingewijde in het algemeen grif gebruik maakte: the story of Philomela, who was turned into a nightingale, was an image of the desecrated church and its covert protests, overigens net als de genoemde red rose: a term used by Catholics for their old, beautiful religion (Thorpe, 2005, p.3).
[7] De vele woordgrappen
en dubbelzinnigheden in Shakespeares teksten onderstrepen in het
algemeen dit belang. Crispin (2005) ziet meer katholieke invloed
in de dubbelzinnigheden: equivocation was the
Jesuitical practice of avoiding lying under oath by
resorting the rhetorical subterfuge. Macbeth a
claustrophobic play concerned with plotting and regicide-
contains a morbid interest in those who palter with a
double tongue (p.3; vgl. Barthélemey, 1879, p.194 en
Wilson, 2004, p.194-198).
[8] Shaheen legt bovendien het verband met bijbelteksten als Gal.5,17 en Rom.7,18-24.